Interessante links

De Standaard - Boeken - vrijdag 24 mei 2019

Annelies Verbeke over de dominantie van het Engels

De taal van de wereld

De diversiteit van onze boekenkast staat onder druk, waarschuwt Annelies Verbeke, dit jaar de Vrije Schrijver van de Vrije Universiteit Amsterdam. Zelfs het Nederlands dreigt van onze universiteiten te verdwijnen. Op 21 mei sprak ze daarover de Abraham Kuyper Lezing uit. De Standaard publiceert een fragment uit 'De taal van de wereld'.

Midden september 2015 reisde ik van Ghent, Flanders, Belgium naar Ghent, New York, USA. Ik verbleef er, samen met negen andere schrijvers en vertalers, afkomstig uit verschillende landen, een maand in Ledig House, een schrijversresidentie. Het werd een werklustige tijd met interessante ontmoetingen en mooie wandelingen door nazomerse natuurpracht. De interessantste ervaring zat hem voor mij echter in de confrontatie met de Amerikaanse literaire wereld. Die was mij uiteraard niet onbekend, en evenmin was dit mijn eerste bezoek aan de VS. Als ik voor mijn boekenkast sta, zie ik veel Amerikaanse literatuur. Sommige schrijvers, vaak wereldwijd gehypet, vond ik teleurstellend, andere bezorgen me al jaren heerlijke leesuren.

Voor Amerikaanse, en bij uitbreiding Engelstalige literatuur is het verwerven van een wereldwijd lezerspubliek een stuk makkelijker dan voor literatuur uit andere landen. Dat is geen onbekend gegeven, maar we hebben de neiging weinig stil te staan bij de consequenties daarvan.

Tijdens mijn schrijversresidentie werd op een avond een editor-scout van een grote uitgeverij uitgenodigd, die ons een inkijk zou geven in de Amerikaanse uitgeverswereld. Het werd een schok. 'Als wij iets uit Europa uitgeven, dan moeten wij daar uiteraard nog veel in knippen', zei ze. Ik lachte als enige om haar 'cut, cut, cut' en de hakbeweging die ze daarbij maakte, aangezien ik mij niet kon voorstellen dat dit géén humor was. Maar de vrouw vervolgde onverstoord: 'Of ik moet er veel bijschrijven. Onlangs hebben we nog een Italiaanse literaire bestseller uitgegeven, van een beroemde regisseur, één miljoen verkochte exemplaren in Italië, maar ja, er ontbraken zeven stukken, die heb ik dan zelf moeten schrijven.' Er viel een geladen stilte. Iemand opperde: 'Maar, wat bedoelt u ermee dat die stukken "ontbraken"? Het boek viel blijkbaar toch in de smaak bij de Italianen?' De vrouw antwoordde dat dat nog niet betekent dat het goed genoeg is voor de Amerikanen. Ze wilde de naam van de schrijvende regisseur in kwestie niet noemen, want vond het gênant. Voor hem.

Later die avond - nog niet van de schok bekomen - zat ik naast een vrouw die lang als scout voor een andere grote Amerikaanse uitgeverij had gewerkt. Ze vond dat een erg ondankbare baan. 'Je moet weten dat maar één procent van één procent van wat in Europa verschijnt goed genoeg is voor Amerika', liet ze zich terloops ontvallen. Terwijl de scout op rust aansluitend een hap nam van haar dessert en over haar online koopverslaving begon te vertellen, sloot deze Europese aapachtige haar opengevallen muil met haar opponeerbare duim. Dit gaat niet over deze vrouwen. Geen van beide had ook maar enigszins de intentie om onze groep, die op dat moment voor het grootste deel uit Europese auteurs bestond, te vernederen. En dat was net het griezelige: hoe vanzelfsprekend die veronderstelde superioriteit voor hen was. Amerikaanse uitgevers als ngo voor de rest van de schrijvende wereld. Hun boodschap kon weinig anders begrepen worden dan: 'Jullie kunnen niet schrijven, maar heel af en toe zullen wij ons inspannen om zo'n minderwaardig werk beter te maken.'

Zelden wist ik me achteraf zo in de ban van een 'esprit d'escalier'. (Hier bestaat nog geen mooie Nederlandse uitdrukking voor, noch een Engelse.) Ik had meer vragen moeten stellen. Wat me bijvoorbeeld bezighoudt: hoe zit het met de Europese klassiekers. De toverberg, Misdaad en straf: hak, hak, hak, en met de helft van de bladzijden gaan ze al een pak vlotter naar binnen? (Ze bestaan, weet ik, de 'abbreviated versions', maar krijgen ze wel altijd die benaming?) Ik weet wat men hiertegen in kan brengen. Bijvoorbeeld: Amerikanen houden nu eenmaal van een bepaalde manier van vertellen in romans, van netjes gestructureerde, duidelijke films, van 'well-made plays'. Een boek uit het Midden-Oosten of uit Europa is wellicht ook echt 'anders'. Waar. Maar wat een arrogantie om de hele wereld zonder omhaal om te buigen naar wat je vertrouwd is, de gedachte aan diversiteit, de mogelijkheid van verschillende, naast elkaar bestaande vormen van kwalitatieve literatuur, niet eens te overwegen.

Een andere kanttekening is deze: wat waren wij Europeanen onder de indruk - de volgende dagen kwamen we er 'onder ons' nog enkele keren op terug - nu wij eens degenen waren die met de superioriteitsgevoelens van een ander continent werden geconfronteerd! In welke mate krijgt literatuur uit Afrika of Azië bij ons een kans? De meeste Nederlandstalige uitgevers lijken af te wachten wat de Amerikanen ermee doen. Het is frappant hoe makkelijk economisch overwicht en intellectuele superioriteit met elkaar worden verward.

En natuurlijk bestaat er veel goed Amerikaans werk, de avant-garde blijft er bestaan en de maatschappijkritiek zeker. Tijdens mijn verblijf in die schrijversresidentie las ik de toenmalige #1 New York Times Bestseller: Between the world and me van Ta-Nehisi Coates, een lang essay dat ook in het Nederlands is verschenen. Het heeft de vorm van een brief van de auteur aan zijn vijftienjarige zoon, kort na de rellen in Ferguson. Het meest beklijvend vond ik de verstorende kracht die een vraag van Saul Bellow op de jonge Coates heeft: 'Who is the Tolstoy of the Zulus?' Coates verdiept zich halsstarrig in Afrikaanse schrijvers op zoek naar een 'trophy case', tot hij het bevrijdende antwoord jaren later vindt in een essay van Ralph Wiley: 'Tolstoj is de Tolstoj van de zoeloes. Tenzij je baat hebt bij het beperken van universele eigendommen van de mensheid tot exclusief tribaal bezit.' Ook daar moest ik aan denken toen ik begreep dat die hakbeweging van de uitgeefster geen grap was.

Met een hoofd vol anti-imperialistische gedachten keerde ik, in november 2015, huiswaarts, tevens aangespoord tot enige zelfreflectie. Sinds 2005 had ik een lijst bijgehouden van wat ik allemaal las. Ik heb mezelf in dat jaar ook onderworpen aan een leessysteem van eigen makelij, waaraan ik me sindsdien elk jaar hield. In grote lijnen houdt het in dat ik mezelf een minimum van 52 boeken per jaar opleg. Ik lees daarbij grotendeels fictie, nu en dan non-fictie, ik wissel verhalenbundels en romans af (dichtbundels vallen buiten deze lijst). Elk jaar moet ik literatuur uit minstens drie verschillende eeuwen én uit alle continenten hebben aangedaan, Arctica en Antarctica buiten beschouwing gelaten. Heel moeilijk is dat allemaal niet. Eind 2015 wilde ik weleens zien wat mijn systeem had opgeleverd. Ik gaf mezelf al een schouderklopje omdat ik boeken uit 65 (intussen 75) verschillende landen had gelezen, toen ik turvend vaststelde dat ik desondanks meer (al dan niet vertaalde) boeken uit de Verenigde Staten had gelezen dan uit welk land dan ook. De sturing bleek ook voor mij toch groter dan ik had verwacht. Geschokt las ik twee jaar lang geen enkel Amerikaans boek. Tot hiertoe duidt niets erop dat de Amerikaanse boekenmarkt onder mijn boycot heeft geleden.

Hoe er vandaag met het Nederlands wordt omgegaan, staat niet los van mijn ervaringen in de Amerikaanse schrijversresidentie. Universitaire instellingen in Vlaanderen en, in grotere mate, in Nederland willen met Britse en Amerikaanse universiteiten concurreren en zoveel mogelijk buitenlandse studenten aantrekken. Dat komt in de eerste plaats als een legitiem en zelfs aan te moedigen verlangen over. Je zou intuïtief denken dat het wat tegengas kan bieden aan de dominante positie van in de eerste plaats de VS, dat er een braindrain mee kan worden omgebogen in Europese richting. Maar als een belangrijke pijler als taal daarbij wel die van de dominante groep blijft, en de eigen taal, literatuur en cultuur steeds minder een plaats krijgen in de academische wereld, net als die van andere kleinere taalgebieden, dan wordt er zeker niet alleen weerwerk geboden, dan wordt die dominantie ook versterkt. Dat universiteiten gehonoreerd worden per student, is anderzijds ook een realiteit waaraan de overheid ze heeft blootgesteld. Op die manier creëerde men een competitieve sfeer tussen universiteiten in hetzelfde land, die zoveel mogelijk buitenlandse studenten trachten binnen te halen om de nodige werkmiddelen te kunnen vergaren. Dat er aan de VU een Nederlands record werd gebroken wat het percentage buitenlandse studenten betreft, heeft natuurlijk ook andere dan economische voordelen. Ik voel mezelf simpelweg meer op mijn gemak op plekken waar mensen van overal op de wereld vertoeven, en zeker is het bestaan van een lingua franca daarbij om vele praktische redenen een zegen.

Dat in Nederlandse universiteiten steeds meer vakken in het Engels worden gedoceerd - momenteel gaat het over 75 procent van de masteropleidingen - en, vooral, dat het Nederlands erbij inschiet als onderwerp en als gebruiks­taal van academische studie, kan echter kolderieke en kwalijke vormen aannemen. En niet alleen omdat sommige professoren en studenten een ontoereikende versie van het Engels hanteren. Het voorbije jaar stonden Nederlandstalige kranten vol met artikels en opiniestukken waaruit bezorgdheid spreekt over het terreinverlies van het Nederlands in de academische wereld. Het kwam zelfs tot een rechtszaak van de stichting Beter Onderwijs Nederland tegen de universiteiten van Maastricht en Twente.

Mijn eigen bewustwording over de mate waarin de verengelsing in de Nederlandse academische wereld speelt, kwam er door het stuk van de Nijmeegse hoogleraar Lotte Jensen over de studente die haar eindwerkstuk over Vondel in het Engels moest schrijven (omdat de researchmaster Engelstalig was en de examencommissie dat eiste) en daartoe eerst Vondels eeuwenoude woorden in het Engels moest vertalen, pogend zijn rijm en metrum daarbij niet helemaal overboord te gooien.

Dat het leven en de geschiedenis van de mensheid onaflatend worden vergezeld door een absurdistisch fonteintje, was me al bekend. Dat dit tot een wilde rivier was gezwollen, universiteiten was binnengedrongen en bezig was de moedertaal en de status van Nederlandstalige auteurs te verzwelgen, is voor mij een vrij recent inzicht. Het is als wakker worden in een hertekende wereld, waarin de kern van mijn bestaan - het schrijven in mijn moedertaal - onder druk komt te staan door beslissingen van degenen van wiens bescherming ik was uitgegaan. Ja, echt, ik dacht tot voor enkele jaren dat de Nederlandse taal en literatuur aan universiteiten als vanzelfsprekend werden beschermd. Dat blijkt niet meer zo en daardoor moet ik mij hier ontpoppen tot de inhoud van een Trojaans paard.

Terwijl ik werkte als twaalfde Vrije Schrijver van de Vrije Universiteit van Amsterdam - een heerlijk initiatief waarvoor ik mijn grote dankbaarheid wil uitdrukken - werd de bacheloropleiding 'Literatuur en Samenleving: Nederlands' aan deze instelling afgeschaft. Er hadden zich dit academiejaar immers maar vijf studenten voor deze studierichting ingeschreven. Dat is veel minder dan aan andere Nederlandse universiteiten, maar ook daar zakte het aantal zienderogen. Sinds 2010 is sprake van een vrije val: dit jaar startten in Nederland slechts 183 eerstejaars, zestig procent minder dan in 2010. Jonge mensen zijn gewoon niet meer geïnteresseerd in de Nederlandse taal en Nederlandstalige auteurs, zo hoorde ik verzuchten.

Ik vroeg enkele betrokkenen eerder dit jaar of het voortbestaan van de Nederlandse taal- en letterkunde hen dan niets kon schelen. Ik stuitte op tot dakjes opgetrokken wenkbrauwen, veel doorschuiven van verantwoordelijkheid - 'vanuit Den Haag komt er geen enkele richtlijn' - en een bevreemdend fatalisme. 'We zullen met de afschaffing misschien een precedent scheppen, waarna het Nederlands of de Nederlandse literatuur uiteindelijk mogelijk nergens meer in Nederland op academisch niveau zal worden bestudeerd', zo bevestigde iemand met een gelaten zucht mijn veel minder gelaten vermoedens. 'Maar ja.'

Ik kan er niet goed bij dat een grote universiteit in een van de meest welvarende landen van de wereld niet over de middelen beschikt om deze bacheloropleiding in leven te houden. Op mij en mijn schrijvende collega's komt het over als een levensbedreigend schouderophalen omtrent ons werk en dat van onze voorgangers. Als ik de gevoelens die daardoor worden opgeroepen wil beschrijven, schiet me een passage uit Willem Elsschots Kaas te binnen: 'Mijn vrouw staat daar zonder iets te doen en kijkt ons tuintje in. Ik ga op haar toe en sluit haar in mijn armen. En als mijn eerste tranen op haar verweerd gezicht vallen, zie ik dat zij mij tegenweent. (...) De kaastoren is ingestort.' Laten we elkaar dan maar collegiaal wat 'tegenwenen'. Amen.

Al kan ik wel aanvaarden dat ook talen en hun veronderstelde belang nu eenmaal sinds hun ontstaan aan verandering, groei of krimp, onderhevig zijn, toch kan ik me, als Nederlandstalig auteur in de eerste plaats, niet zomaar neerleggen bij het veronachtzamen van mijn moedertaal en de literatuur die erin is geschreven, door een universitaire instelling. De manier waarop er op het hoogste niveau met die moedertaal, mijn literaire taal, wordt omgegaan, zal het lot van onze taal en literatuur mede bepalen. En dat is ook een kwestie van respect of een gebrek daaraan tegenover ons, Nederlandstalige auteurs uit verleden en heden.

Hier ga ik in op de slinkende status en populariteit van het schoolvak Nederlands in het middelbaar onderwijs, op auteurs die schrijven in de talen van de grootmachten die hen koloniseerden, op het werk van auteurs dat onzichtbaar voor ons blijft omdat het in de 'verkeerde' taal of op het 'verkeerde' continent is geschreven, op het belang literair vertalers, op de verschraling in het aanbod die daar het gevolg van is. Ik eindig met een samenvatting van de pijnpunten.

De oorzaak van het dalende aantal studenten aan alle Nederlandse en Vlaamse universiteiten die zich voor de richting Nederlandse taal- en letterkunde inschrijven wordt door deskundigen veelal gevonden in de status en invulling van het vak Nederlands op de middelbare school.

Het hoeft niet uitgelegd te worden dat het afschaffen van de bachelor-afstudeerrichting 'Literatuur en Samenleving: Nederlands' aan een grote universiteit in de grootste stad van Nederland dit imagoprobleem niet zal oplossen maar versterken. De beslissing staat bovendien haaks op de positieve evolutie die onze Nederlandstalige literaire wereld de laatste decennia heeft ervaren op het gebied van bedrijvigheid en structurele ondersteuning. Nooit waren zo veel Nederlandstalige auteurs zichtbaar buiten de landsgrenzen. Qua vertaalbeleid vormt ons taalgebied zelfs een voorbeeld voor Europa.

Het dalende aantal studenten in de geesteswetenschappen in Nederlandse en Vlaamse universiteiten, verengelsing en internationalisering, de commerciële houding van universiteiten tegenover hun aanbod en studenten, staan niet los van elkaar. Ze passen in een algemeen heersende tendens waarbij kennis en vaardigheden sneuvelen die worden beschouwd als minder meetbaar, minder economisch inzetbaar, minder winstgevend. De sturing die daar het gevolg van is werkt eenvormigheid in de hand.

In de internationale literaire wereld blijken enkele gelijklopende tendensen te spelen. De commerciële sturing vanuit voornamelijk het Amerikaanse taalgebied lijkt groter dan het bewustzijn daarover. De overheersing van de westerse Engelstalige wereld komt de diversiteit van het aanbod evenmin ten goede, zowel wat de zichtbaarheid van literatuur uit andere taalgebieden of andere plekken op de wereld betreft als de appreciatie ervan.

Je kunt openstaan voor een grotere wereld en toch bewaren wat waardevol is in eigen land en in andere niet-dominante taalgebieden. Dat waarde zeker niet alleen van een financiële meetlat valt af te lezen, staat voor mij buiten kijf. Zelf verlang ik naar een verbonden wereld, maar dan een waarin economische en intellectuele waarden niet met elkaar worden verward, zodat een ware diversiteit tot bloei kan komen.

Het is aan ons allen om ons over deze waardeschalen te bezinnen. Zoiets vraagt een inspanning, en inzicht in de eigen verantwoordelijkheid.

De Standaard - zaterdag 6 april 2019

Astrid Lindgren Memorial Award: Bart Moeyaert is de beste jeugdschrijver ter wereld

'Leerkrachten die zelf niet lezen, zijn geen goede leerkracht'

Als kind verslond hij de boeken van Astrid Lindgren. Vier decennia later wint hij de naar haar genoemde prijs, goed voor 480.000 euro en wereldwijde roem. 'Het duurde vier, vijf seconden voor ik besefte: dit is écht.'

Veerle Vanden Bosch, Foto's Fred Debrock

Hondsmoe ziet hij eruit. Hij maakt zich zorgen over de fotograaf die straks komt: 'Misschien moet ik de wallen onder mijn ogen opbinden achter mijn oren.' Maar hij straalt. Twee dagen nadat Bart Moeyaert te horen kreeg dat hij de Astrid Lindgren Memorial Award heeft gewonnen, zit ik tegenover een diep tevreden man. Zijn mobiel zoemt voortdurend, de felicitaties stromen binnen, naast aanzoeken van uitgevers uit alle windstreken. 'Ik vind geen woorden voor wat in mij omgaat', antwoordt hij op de vraag hoe dat voelt, zo'n grote prijs winnen en in de internationale schijnwerpers te staan.

'Ik ga elk jaar naar de Children's Book Fair in Bologna. Als ik vertrek, speelt die nominatie - ik ben zestien keer genomineerd - me niet door het hoofd. Maar als ik er ben, overkomt het me elke keer: een stemmetje in mijn hoofd begint te fluisteren: het zóú kunnen. Op de ochtend van de uitreiking komen de zenuwen - de winnaar wordt altijd vooraf opgebeld. Ik zat rustig te ontbijten, dacht: het is straks al tien uur. Om halfelf dacht ik: ik ga me nooit meer laten vangen, het zal toch nooit gebeuren. En dan registreerden mijn hersenen dat mijn telefoon overging, dat er op het schermpje een Zweeds nummer verscheen. Het duurde vier, vijf seconden voor ik besefte: dit is écht. Het is aan het gebeuren. Het was een raar gevoel om tot de werkelijkheid terug te keren en de telefoon op te nemen. Toen hoorde ik de juryvoorzitster een plechtige verklaring afleggen: de jury is samengekomen en de ALMA gaat naar - dubbelpunt - Bart Moeyaert. Ik wist niet dat het gesprek werd opgenomen en riep "I love you" tegen de voorzitster. Achteraf besefte ik hoe onnozel dat moet hebben geklonken. In Stockholm zat een volle zaal mee te luisteren.'

'Vervolgens kreeg het iets kolderesk. De directeur van de ALMA contacteerde me en zei: we zien elkaar straks op de beurs. Ik bel op waar ik ben en dan kom je daarnaartoe. We zagen elkaar op een parkeerplaats, want we mochten niet gezien worden. Alsof we stiekeme minnaars waren. Er kwamen mensen naar buiten, toen zijn we achter een auto gaan staan. Ik kreeg instructies en moest daarna nog anderhalf uur zoek maken. Ik ging naar de hal van de Amerikaanse uitgevers, waar ik weinig kans liep bekenden tegen te komen die me iets konden vragen. Een kwartier voor de uitreiking liep ik naar de grote hal. De proclamatie begon. Ik kreeg weer telefoon uit Zweden. Het was een journaliste die zich niet aan haar embargo had gehouden en zich niet liet afwimpelen. Ik hoorde mijn naam afroepen op het podium. Ik dacht: shit, dat grote moment heb ik niet eens meegemaakt. Het was een rollercoaster. Ik was ontroerd door het grondige juryverslag. Verschillende boeken werden uitgelicht in verschillende talen. En in die grote hal vol mensen werd gejuicht, een geweldige sensatie.'

Als kind ontdekte Moeyaert Astrid Lindgren in de bibliotheek van Sint-Kruis.

'De bibliothecaresse, een lange mooie vrouw met grijze ogen waar ik stiekem wat verliefd op was, gaf me af en toe een tip. Ik las De kinderen van Bolderburen en Wij uit Bolderburen en Madieke van het rode huis. En dan bijna alles van Lindgren. Na mijn debuut werd ik me ervan bewust dat ik een poëtica moest hebben, iets moest vinden over literatuur. Het land dat verdween, waarin ze haar visie op schrijven geeft, is heel lang mijn lijfboek geweest, het idee dat je vanuit je gevoel moet schrijven. Ik noem Astrid Lindgren weleens mijn derde grootmoeder, mijn connectie met haar is bijna een bloedband.'

Lindgren was heel mondig. Ze schreef opiniestukken en woog op het maatschappelijke debat. 


'Dat heb ik pas later ontdekt. Ik las op mijn 25ste een aanklacht van haar tegen de bio-industrie. En ze slaagde erin een onrechtvaardige belastingwet te laten veranderen. Dat een kinderboekenschrijfster dat kon - niet de Nobelprijswinnaar voor Literatuur, maar een kinderboekenschrijfster, hoe fantastisch is dat? Zelf durfde ik niet op tafel te slaan, ik heb lang gedacht dat literatuur niets kon veranderen. Het Antwerps stadsdichterschap heeft daar een kentering in gebracht. Dat was een heftige periode. (cfr. Hans Van Themsche en er de tweestrijd tussen Patrick Janssens en Filip Dewinter) Ik was toen extreem boos op de wereld, iedereen had meningen, iedereen had gelijk, ach stik daarin, dacht ik. Maar sindsdien weet ik wel dat literatuur troost kan bieden, woest kan maken, iets kan veranderen in mensen, hoe klein het ook is.'

Wat je nog meer met Lindgren gemeen hebt, is dat je personages vaak eenlingen zijn.

'Ja, al ben ik blij dat daar een evolutie in zit. Een personage als Ward in Blote handen (1991) durft niets te doen en durft in zijn eentje niet te denken. De tweede stem in zijn hoofd is die van zijn vriendje Bernie. Bianca uit Tegenwoordig heet iedereen Sorry (uit 2018, red.) spreekt die stem in zichzelf gewoon uit en durft te rebelleren. Nu werk ik aan een nieuw boek waarin drie zeventienjarige meisjes in de wij-vorm over zichzelf spreken, tot ze verplicht worden om tot de ik-vorm over te gaan, omdat ze zich niet meer mogen verschuilen. Dat is weer een stap verder.'

Als jongste van zeven broers was jij ook een eenling. Heeft dat je schrijverschap bepaald?

'Ik denk dat het de basis is geweest van alles. Een tijd geleden beleefde onze familie een moeilijk moment. Mijn vader dementeerde, mijn moeder was nog oké, maar het ouderlijk huis moest worden verkocht. Mijn moeder kon die beslissing niet nemen, wij moesten het stuur overnemen. We belegden een vergadering rond de grote tafel van vroeger. Zonder erover na te denken namen bijna alle broers de plek van vroeger in. Ik zag het gebeuren: we waren allemaal veertig jaar jonger. De oudste broer nam de taak op van de oudste broer, de op een na oudste die ook wel de oudste broer had willen zijn nam die rol op, en de zakelijke broer die weinig zegt en in één zin uitdrukt wat hij vindt, zat nauwelijks aan tafel. Hij leunde er alleen met zijn elleboog op. En wat deed de jongste? Kijken en zwijgen en luisteren naar wat er gezegd werd. Tot iemand besefte: we hebben de kleinste nog niet gehoord. Dat was voor mij een belangrijk moment, omdat ik mijn mond opentrok, terwijl ik vroeger niets zou hebben gezegd. En omdat er ook geluisterd werd. Die positie van erbinnen vallen en er ook buiten vallen en veel te kijken naar lichaamstaal, goed te luisteren naar wat er wel en ook niet gezegd wordt, heeft meegespeeld. Ik zou anders ook andere boeken hebben geschreven, minder stille boeken, denk ik.'

Die stille boeken zijn ook heel uitgepuurd: je schuurt en polijst je taal tot de essentie.

'Dat heeft te maken met twintig zijn en vinden dat er veel te veel gebabbeld en geluld wordt. Wat niet of nauwelijks kon in de echte wereld, kon op papier wel: het geduld nemen om iets uit te bouwen en door te geven als ik vond dat het klaar was. Gaandeweg besefte ik ook dat ik mezelf uit mijn boeken moest halen. Soms klonk ik er nog in door en ik wil dat alleen het personage klinkt en vooral de stem in zijn of haar hoofd. Die hele binnenwereld.'

Van de binnenwereld naar de buitenwereld. In 2000 besloot je je werk ook op de planken te brengen.


'De eerste stap daarnaartoe was een programma van Behoud de Begeerte, samen met Joke van Leeuwen. Ik vond dat een fantastisch initiatief omdat het letterlijk een podium gaf aan kinder- en jeugdliteratuur. Ik deed het met knikkende knieën omdat ik Joke erg bewonder. Maar ik deed het alsmaar liever. Ik stierf wel, maar ik stierf graag. En ik ben blij dat ik mezelf dat heb toegestaan. Ik ben docent aan het conservatorium en zie voortdurend hoe studenten teksten op een podium brengen, iets waar ik vroeger nooit over nadacht. Ik heb de afgelopen tijd de voorstelling Broere 22 keer gespeeld, samen met Esmé Bos en Bart Voet. Ik heb er 22 keer van genoten, en geen van die keren was hetzelfde. Dat heeft me geholpen om mijn perfectiezucht nog meer los te laten, ik ben te lang verkrampt bezig geweest. Perfectie bestaat niet, en het is ook nog eens verschrikkelijk saai. Die podiumervaring heeft me vrijer gemaakt. Dat geldt ook voor het werk dat ik als intendant voor het Nederlands-Vlaamse gastlandschap op de Frankfurter Buchmesse heb gedaan. Ik moest verplicht met mensen samenwerken, wat ik anders niet zo vaak doe. Dat vond ik topsport, en ik zou het meteen opnieuw doen. Ik zag mezelf ingaan tegen iets wat mensen vaak over me zegden: "Het is zo ne stille, het is zo nen braven." Zo stil en braaf ben ik nu ook weer niet, ik weet echt wel waar ik naartoe wil. Het was een zelfoverwinning om te zeggen: nee, we moeten niet die richting uit, we gaan een andere richting uit. Dat heeft me geleerd mijn visie en mijn buikgevoel te blijven volgen. Later hoorde ik dat mensen me eigenzinnig vonden, of zelfs koppig. Ik vind niet dat ik koppig ben geweest. Eigenwijs vind ik wel een mooi woord, dat wil ik gerust zijn. Het was een keerpunt. Bovendien was toen in mijn persoonlijk leven ook veel aan het veranderen, waardoor ik veel heb losgelaten en gelukkiger werd. Ik adem de afgelopen twee jaar een stuk vrijer. Die vrijheid uit zich ook in mijn werk. Ik werkte aan een dichtbundel die gestructureerd was rond de ideeën loslaten, afscheid, opnieuw beginnen, dat had ik mezelf opgelegd. Pas toen ik dat begon los te laten, begon het te vloeien. Ik ga nu voor mijn boeken ook met experts praten. Voor Bianca's broertje Alan (uit Tegenwoordig heet iedereen Sorry, red.), een hartpatiënt, had ik een gesprek met een hartchirurg. Voor mijn nieuwe boek heb ik twee dagen meegedraaid in een visverwerkingsbedrijf. Dat is nieuw voor mij, het zet veel in gang, ik ben bezig in de wereld, niet in mijn werkkamer, dat geeft me lucht.'

'Ik denk dat het niet toevallig is dat dingen op je pad komen. Terwijl je aan het graven bent naar een boek, zie je die tentoonstelling die dat ene beeld oplevert, lees je in een boek een zin die iets wakker maakt, je bent als een spons. Een vorm van serendipiteit. Net zoals de timing van deze prijs. Het is precies het juiste moment. Als ik hem vorig jaar had gekregen, zou ik er waarschijnlijk moeilijk mee om hebben kunnen gaan, want mijn jongste boek was nog niet af. Ik wil straks bij de uitreiking op 27 mei iets wezenlijks te zeggen hebben. Dat had ik vorig jaar niet gekund, mijn hoofd zat toen te vol. Wie weet bestaat er toch een sturende hand in de kosmos (lacht).'

Je zei ook al dat je het podium dat je nu geboden wordt, wil benutten om enkele dingen aan te kaarten. Waar wil je het dan over hebben?

'Waar ik nu mijn gedachten laat over gaan is de manier waarop we met taal omgaan. We moeten onze moedertaal zo rijk mogelijk houden, en een van de manieren om taal te verrijken, zijn boeken. En wie boeken zegt, moet ook kinderen zeggen. We beweren al honderd jaar dat kinderen moeten lezen. Maar we vergeten dat mensen die een lerarenopleiding volgen kinderboeken in de strot geduwd moeten krijgen, want het is deel van die kindercultuur. Als je een bakker bent, dan moet je alles van brood weten. Alles. Anders ben je geen goede bakker en verlies je klanten. Als je leerkracht bent of met kinderen tout court bezig bent, dan moet je ook alles over hen weten. Als je zelf nooit leest, moet je dat veranderen, anders ben je geen goede leerkracht. Ik ga daar misschien ver in, maar het idee om een uur Nederlands weg te halen van het curriculum vind ik onvoorstelbaar. Kijk, ik heb een stokpaard gevonden (lacht).'


Je hebt zo ongeveer alles gewonnen wat er te winnen valt. Waar ligt de uitdaging nog? Werkt die gedachte niet verlammend?

'Nee. Want er gaan nu heel veel deuren open. Ik heb echt niet het gevoel dat ik word bijgezet. Wat me wel nerveus maakt, is het ouder worden. Want ik begin op te schuiven en ik heb nog wel het een en ander te doen. Er zijn nog vijf of zes onafgewerkte boeken, en ideeën die al heel lang leven.


Valt het schrijven je met de jaren lichter?

'Nee. Als ik echt in een boek zit, verlies ik nog steeds mijn ijkpunten in de dag. Het kan gebeuren dat ik in de namiddag slaap en 's avonds opsta. Ik heb die ultieme focus op de binnenwereld van het personage nodig om het einde te durven bereiken. Ik weet dat het daar ergens hangt, maar ik durf er niet naartoe. Wat als het niet goed is? Als het verdomme niet werkt? Het uitstelgedrag dat zich op tien bladzijden van het einde voordoet - waarvan je niet weet dat het nog tien bladzijden zijn - is immens. Het is hier een ongelooflijk proper huis op zo'n moment (lacht). En als het dan af is: je belachelijk voelen, want zo moeilijk was het ook weer niet. Het is een soort faalangst. Maar ik houd wel van een beetje pijn, het mag een beproeving zijn. Ik mag er niet aan denken dat het gemakkelijk zou zijn, dan zou ik er waarschijnlijk mee ophouden.'

'Een leerkracht die niet leest, is als een kok die niet graag in de keuken staat'

'Bart Moeyaert heeft ­helemaal gelijk als hij zegt dat je geen goede leraar kunt zijn als je nooit boeken leest. Een leerkracht die niet leest is als een kok die niet graag in de keuken staat. Boeken lezen maakt vanzelfsprekend deel uit van onze job', zegt Jan Lambrechts (55), die werd uit­geroepen tot 'Boekenmeester' van 2018. De Groep Kinderboekenuitgevers (Groki) bekroont met die titel juffen en meesters die zich inzetten voor leesbevordering.

Lambrechts stond dertig jaar lang voor de klas in het vijfde leerjaar van de Sint-Mauritiusschool in ­Bilzen. 'Ik stelde al langer vast dat kinderen minder graag lazen en dat het niveau van begrijpend lezen achteruitging. Daar wou ik iets aan veranderen.' In 2016 werd Lambrechts aangesteld als voltijds leescoördinator op Sint-Mauritius: sindsdien probeert hij zowel leerkrachten als leerlingen warm te maken voor boeken. 'Onze school is multicultureel, met kinderen met verschillende achtergronden. We willen iedereen aan het lezen krijgen.'

Als kind was hij naar eigen ­zeggen helemaal geen goede lezer. 'Voor mijn zestiende had ik zelfs nog nooit een boek gelezen. Maar toen las ik op het college A christmas carol van Charles Dickens en ik was verkocht. Ieder kind heeft recht op zo'n beslissend boek, dat ene boek dat je voor de rest van je leven aan het lezen krijgt. Mijn buurman, die veel van boeken hield, heeft me verder door het aanbod gegidst. Kinderen hebben zulke voorbeeldfiguren nodig, die je enthousiast maken voor boeken.'

Zijn laat ontdekte liefde voor lezen probeert Lambrechts nu aan nieuwe generaties door te geven. Hij tipt boeken aan zijn collega's en werkt activiteitenbundels bij boeken uit. Hij organiseert boekenbeurzen op school en haalt voorleesouders en auteurs naar de klas. Hij schreef zelfs een schoolmusical, geïnspireerd door boeken die leerkrachten tijdens de Jeugdboekenmaand in de klas voor­lazen. 'Boeken zijn niet iets waar we alleen tijdens de Jeugdboekenmaand aandacht aan schenken, ze zijn ook de rode draad van ons schoolfeest. Ik wil boeken midden in onze school brengen.'

Essentieel daarbij is de schoolbibliotheek, die Lambrechts uit de grond stampte. 'Het is geen schoolbib met oude brol, maar met nieuwe, recente boeken', zegt hij trots. 'De school heeft daarvoor een jaarlijks budget vrijgemaakt; ook de oudervereniging sponsort mee.'

Bij de publiekslievelingen zijn de boeken van David Walliams, de Britse komiek die bekend is van Little Britain. 'Ook Roald Dahl blijven kinderen graag lezen. ­Razend populair zijn De waanzinnige boomhut-boeken (van Andy Griffiths en Terry Denton, red.) en de Het leven van een loser-reeks (van Jeff Kinney, red.). Dat is misschien niet meteen grote literatuur, maar als leerkracht mag je niet neerkijken op die populaire, minder literaire jeugdboeken, want ze zijn vaak het opstapje naar moeilijkere boeken. Je kunt niet verwachten dat ieder kind meteen mee is met de boeken van Bart Moeyaert, hoe goed die ook zijn.'

Al die inspanningen werpen stilaan hun vruchten af. 'We merken dat het leesniveau van onze leerlingen beter wordt, al is het nog te vroeg om daar grote conclusies aan te verbinden. Belangrijk is dat kinderen het leesplezier ontdekken.'

10 boeken die je moet hebben gelezen voor je 12 bent

1. Max Velthuijs, Kikker en het vogeltje (2003)

Kikker en zijn vriendjes ontdekken een kapot vogeltje in het gras. Ze geven hem een waardige begrafenis en zijn diep onder de indruk, tot Kikker opspringt om tikkertje te spelen en uitroept: 'Is het leven niet prachtig!' Een kinderlijke ­reactie die getuigt van diepe wijsheid. Ze spelen tot laat in de avond en gaan moe naar huis.

Waarom? Omdat Max Velthuijs kinderen niet onderschat en hij er in zijn boeken over de vriendelijke, wat onzekere en filosofisch aangelegde Kikker telkens weer in slaagt met heel eenvoudige middelen iets essentieels over het leven te zeggen.

2. Gerda Dendooven, Stella. Ster van de zee (2016)

Een vissersechtpaar vindt op een mooie zomerdag iets vreemds in zijn netten: een meisje met veel haar, een 'alleenlingetje'. Ze nemen haar mee naar huis, noemen haar Stella en voeden haar liefdevol op als hun eigen dochter. Stella is geliefd, alleen groeit ze wel erg hard. Ze past al snel niet meer in de klas, en in het huisje van haar ouders. Dus zit ze op het strand droeve liedjes te zingen. Toeristen komen haar bekijken als een dier in de zoo. Uiteindelijk trekt ze de wijde wereld in, op zoek naar een plek die bij haar past.

Waarom? Woord en beeld vormen een expressief geheel in deze tijdloze parabel over vluchtelingen, anders zijn en xenofobie. Maar het is nergens moralistisch, daar zorgen de humor, de fantasie en de absurde wendingen in het verhaal voor.

3. Sylvia Vanden Heede, Het dikke boek van Vos en Haas (2006)

Eerste leesboekjes zijn vaak ­dodelijk saai en ongeïnspireerd. Dat gaat ten koste van het lees­plezier. Sylvia Vanden Heede pakt het anders aan: ze schrijft met eenvoudige woorden boeiende verhalen, met levendige personages, echte hoofdstukken en cliffhangers. En met veel witruimte, zodat kinderen het gevoel krijgen dat het lezen flink opschiet. Gaandeweg worden de teksten complexer. De leuke ­humor en taalspelletjes en de illustraties van Thé Tjong-Khing maken deze verhalen extra aantrekkelijk.

Waarom? In dit boek zijn drie Vos en Haas-boeken gebundeld. Mooi uitgegeven en met harde kaft geeft het kinderen het gevoel dat ze 'een echt boek' aan het lezen zijn.

4. Annie M.G. Schmidt, Minoes (1970)

Op een dag belandt er een vreemde juffrouw met katse manieren op de zolderkamer van Tibbe, een journalist die zijn baan dreigt te verliezen omdat hij te verlegen is om achter nieuws aan te gaan. Minoes veranderde in een mens toen ze iets verkeerds gegeten had uit de vuilnisbak van het Instituut voor Biochemisch Onderzoek. Dankzij haar hulp en die van de vele katten in Killendoorn komt Tibbe heel wat te weten over wat er scheef zit in het stadje.

Waarom? Omdat verbeelding en realiteit zo heerlijk met elkaar verweven zijn in dit boek vol humor en fantasie waarin Schmidt het ­opneemt voor de underdog en de buitenstaander.

5. Bart Moeyaert, Blote handen (1995)

Waarom rennen Ward en Bernie over de kale winterakkers met de boze Betjeman op hun hielen, die eigenaardige buurman met zijn plastic hand? En waarom heeft Ward een dode eend onder zijn jas? Misschien heeft het te maken met zijn moeder, die een heerlijk kerstmaal bereidde voor de een­zame Betjeman en Ward die denkt dat hij ben hen wil intrekken. Een beklemmend verhaal over boosheid, misverstanden en onbegrip.

Waarom? Je kunt niet stoppen met lezen in dit kleine verhaal over grote emoties, waarin geen woord te veel staat.

6. Joke van Leeuwen, Iep! (1996)

Viegeltje is een vogel in de vorm van een meisje, of een meisje in de vorm van een vogel. Of iets daartussenin. Ze ligt te slapen onder een struik als Warre haar vindt. Hij en zijn vrouw Tine nemen het wezentje liefdevol op in huis en willen haar opvoeden tot een net meisje. Maar dat lukt niet: Viegeltje is wild en vrij, en vrijheid laat zich niet in een kooi stoppen. Overal waar Viegeltje neerstrijkt, willen mensen haar houden en vliegt ze op een dag zonder ver­klaring weer weg.

Waarom? Omdat Iep! een wijs en origineel boek is over liefde en loslaten, en over vrijheid en verbeelding.

7. Tonke Dragt, De brief voor de koning (1962)

Net voor hij tot ridder zal worden geslagen verlaat Tiuri de nachtelijke kapel waar hij moet waken en neemt de geheime opdracht van een stervende ridder op zich. Het is het begin van een wervelend avontuur langs wilde rivieren, over bergketens en door spookachtige maanheuvels, voortdurend op de hielen gezeten door de vijand. Overal loert gevaar, wie is te ­vertrouwen, wie niet?

Waarom? Dit boek is bijna zestig jaar oud, maar een evergreen. Het past perfect bij de voorliefde van jonge lezers voor fantasy.

8. Annet Schaap, Lampje (2017)

Lampje woont met haar vader in een vuurtoren. Wanneer ze vergeet lucifers te halen en er een storm opsteekt, snelt ze nog door weer en wind naar het dorp, maar ze komt te laat: er loopt een schip op de klippen. Ze wordt als dienstmeisje naar een donker huis gestuurd, waar de bewoners gebukt gaan onder een Geheim: er huist een zeemeerjongen op zolder, die krabt en bijt. Lampje sluit vriendschap met hem. Samen vinden ze de kracht om hun angsten en verdriet te overwinnen.

Waarom? Een heerlijk sprookjesachtig boek in de sfeer van Hans Christian Andersen, waar je helemaal in kunt kruipen.

9. Guus Kuijer, Het boek van alle dingen (2004)

De negenjarige Thomas groeit op in een strenggelovig gezin met een dwingeland van een vader die ook nog eens losse handjes heeft. Het enige wat Thomas wil, is gelukkig zijn. Maar hoe moet hij dat aan boord leggen? Hij komt op een fantasievolle, ontwapenende manier in opstand, met de hulp van de vrijzinnige buurvrouw, die hem op het hart drukt dat 'geluk begint met niet meer bang zijn'.

Waarom? Een ontroerende ode aan de veerkracht van kinderen, geschreven door die andere Astrid Lindgren Memorial Award-winnaar, Guus Kuijer.

10. Peter Verhelst en Carll Cneut, Het geheim van de keel van de nachtegaal (2008)

Een boek als een juwelenkistje. Peter Verhelst bewerkte Andersens sprookje 'De Chinese nachtegaal'. Bij hem is de keizer een controlefreak en zijn de hovelingen slaafse volgelingen. Een klein meisje en een échte nachtegaal zijn de zandkorrels in de hele machinerie. Verhelst plaatst perfectiedrang en zielloosheid tegenover vrijheid en ongebondenheid. Illustrator Carll Cneut levert een krachttoer met zijn sprookjesachtige en geheimzinnige prenten waarin Oost en West met elkaar worden verenigd.

Waarom? Vanwege de prachtige taal en de oogstrelende beelden. Woord en beeld zijn even belangrijk in dit boek.

De Standaard - zaterdag 16 februari 2019

Waarom we 'Kruistocht in spijkerbroek' van onder het stof blijven halen


Ik kon de coverillustratie nog dromen. Ze had iets weg van een filmposter uit de jaren 50, geborsteld in ruwe penseelstreken: een stroom kinderen trekt door een kloof met hoge rotswanden. Ze zijn gehuld in lompen, dragen kruisen, speren, handbogen en zwaarden. In de voorhoede loopt een jongen in hedendaags tenue, met een jeans - excuseer, een spijkerbroek - en een polshorloge, hij steekt met kop en schouders boven de anderen uit. De kinderen worden verondersteld er haveloos bij te lopen, ze zijn verschoppelingen die al weken onderweg zijn in weer en wind. Maar ze zien er veeleer glamoureus uit, met perfecte coupes, alsof ze net nog even werden bijgewerkt door een stilist die nu, de haardroger nog in de hand, goedkeurend staat toe te kijken in de coulissen. De prent zag er al wat ouwelijk uit toen ik een tiener was, begin jaren 80. Maar het weerhield me er niet van om Kruistocht in spijkerbroek in één ruk van kaft tot kaft uit te lezen. Razend spannend vond ik de avonturen van de vijftienjarige Dolf Wega - wat een naam, Dolf - die zich bij wijze van experiment met de materietransmitter, een nieuwe uitvinding, laat terugflitsen naar het jaar 1212. Hij wil er een middagje rondsnuisteren op een Frans riddertoernooi, maar hij komt een heel eind verder naar het oosten terecht, te midden van een kinderkruistocht die uit Keulen is vertrokken richting Jeruzalem. De materietransmitter heeft duidelijk nog enkele défauts, de teletijdmachine uit Sus & Wis is doorgaans een stuk nauwkeuriger. Natuurlijk mist Dolf aan het einde van de middag de bus terug naar de twintigste eeuw, anders had Thea Beckman er geen historische roman van 350 bladzijden uit kunnen puren.

Kruistocht in spijkerbroek behoort tot het collectieve geheugen van generaties lezers, het werd bekroond met een Gouden Griffel, werd verfilmd in 2006, er kwam een theaterbewerking en in januari ging in Nederland de musical in première. Het boek is aan de 94ste druk toe. Een indrukwekkend palmares, en dat is ongetwijfeld de reden waarom het werd uitgekozen voor de leesbevorderingsactie 'Geef een boek cadeau'. Het is te koop voor 2,5 euro in Vlaamse en Nederlandse boekhandels en een aantal speelgoedwinkels, je kunt het kopen voor jezelf, maar je kunt het ook wegschenken. Dan zet je het na aankoop op een boekenplank in de winkel, de boekhandelaar zorgt ervoor dat het terechtkomt bij het goede doel dat hij heeft uitgekozen: een school, een leesbevorderingsinitiatief, een organisatie die zich bezighoudt met kansarmoede en laaggeletterdheid ... Op die manier probeert de actie ook kinderen te bereiken die thuis geen boeken hebben. Ze doet niet alleen een beroep op particuliere kopers, maar ook op gemeenten, scholen of kinderdagverblijven om zich op te werpen als gulle schenkers.

Beckmans personages zijn soms wat clichématig, haar woordgebruik kan al eens belegen zijn en ze schrijft bij momenten stroef

Later dit voorjaar wordt alles nog eens overgedaan met Geef een prentenboek cadeau, met Kikker is kikker van Max Velthuijs. Een prachtig initiatief, dat vorig jaar uit Nederland kwam overgewaaid. Het actieboek toen was Ronja de roversdochter van Astrid Lindgren, de actie ging in 2016 van start met Oorlogswinter van Jan Terlouw. Allemaal gouwe ouwetjes. Daar is niets mis mee. Alleen vraag ik me af of Kruistocht in spijkerbroek - kennen kinderen het woord spijkerbroek nog? - de tand des tijds even goed doorstaat als de eerdere actietitels. Het boek dateert uit 1972, ik las het rond 1981. Thea Beckman was toen razend populair, niet alleen dit boek, maar ook Geef me de ruimte!, Triomf van de verschroeide aarde en Het rad van fortuin werden druk gelezen: een trilogie over de Honderdjarige Oorlog.

Al Beckmans boeken bevatten grofweg deze ingrediënten: wat avontuur, een beetje heldenmoed, een hoofdpersonage dat dapper tegen de stroom in roeit, soms een snuifje liefde en een happy end. Veel psychologische diepgang is er in haar boeken niet te vinden. Haar personages zijn soms wat clichématig, haar woordgebruik kan al eens belegen zijn en ze schrijft bij momenten stroef, dingen die je als jonge lezer niet opmerkt, maar die opvallen als je het boek als volwassene herleest. Beckman moet het vooral hebben van haar verteltalent, niet van stilistische bravoure.

Waar komt dan dat succes vandaan? In Vlaanderen zijn er van de Geef een boek cadeau-editie al pakweg 35.000 exemplaren verkocht, terwijl de actie pas loopt sinds 8 februari. Los van de sympathie voor het project en de lage prijs van het boek heeft dat vooral te maken met de nostalgie van volwassen lezers zoals u en ik. Boeken die je als kind graag hebt gelezen, hebben de bijzondere eigenschap dat ze zich voor altijd nestelen in je hoofd en zich daar niet laten wegduwen, ook niet als een nieuwe leesbeurt op latere leeftijd op een teleurstelling uitliep.

Die soft spot zal er altijd zijn, het is een gekoesterde herinnering die je wil doorgeven aan nieuwe generaties lezers. En als je kinderboeken bij jonge lezers wil brengen, zijn volwassenen meestal een onvermijdelijke tussenschakel. Het is dan ook slim gezien van Geef een boek cadeau en Lemniscaat dat ze uitpakken met die originele cover, die intussen zo belegen is dat het charmant wordt. Het maakt het herkenningseffect des te groter. Nostalgie is nu eenmaal een van de sterkste verkoopargumenten die er bestaan.

Veerle Vanden Bosch

De Standaard - 17 juni 2018

Kristien Hemmerechts: 'Dt-regel gaat verdwijnen'

Leerkrachten moeten niet langer hameren op de juiste toepassing van de dt-regel, meent schrijfster Kristien Hemmerechts. 'Je kan niet meer verwachten van leerlingen dat ze iets leren wat ze kunnen doen met een appje.'

Schrijfster en docent Kristien Hemmerechts mocht in het Eén-programma De Zevende Dag aanschuiven bij het debat over de kwaliteit van het onderwijs. Hemmerechts, die zelf begon met lesgeven in 1980, vindt alvast niet dat de alarmbel moet worden geluid.

'Je merkt dat de situatie enorm veranderd is, wat je als docent kan doen en wat de leerlingen verwachten. Die verhoudingen zijn helemaal veranderd, maar er is niet alleen verlies, ook veel winst. Ik vind mijn studenten nu creatiever en ondernemender dan wij vroeger waren', meent Hemmerechts.

De schrijfster haalt daarbij het voorbeeld van de dt-regels aan. 'Vroeger was het dictee enorm belangrijk, maar nu heeft elke computer een spellingscheck. In alle eerlijkheid, ik denk dat de dt-regel gaat verdwijnen. Ik heb nu al studenten die systematisch d schrijven: hij antwoord (sic) met een d. Ik denk dat heel veel dingen die wij nu nog altijd heel belangrijk vinden over pakweg tien à twintig compleet verdwenen zijn.'

Hemmerechts meent dan ook dat leerkrachten eerder moeten uitgaan van wat hun leerlingen kunnen en aanbrengen, dan wat ze zelf denken dat zo belangrijk is. 'Taal evolueert enorm snel. Spreektaal is een andere status gaan krijgen dan schrijftaal. Als je dat toelaat in de klas, kunnen er interessante dingen gebeuren.'

Dit moet u weten over Philip Roth

23-05-18, 13.34u - Tom Christiaens

De overleden Amerikaanse bestsellerauteur Philip Roth behoorde tot de belangrijkste schrijvers van zijn generatie. Hij was een scherp waarnemer van de samenleving in het naoorlogse Amerika. Roth was meermaals kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur, maar hij heeft die nooit gekregen.

De Standaard - dinsdag 8 mei 2018 - Opinies

De leerling, lijdend of meewerkend voorwerp?

In Turnhout kwamen eind vorige maand duizend zesdejaars secundair onderwijs bijeen voor de J1000, een hartverwarmend en hoopgevend initiatief. Jongeren gingen zelf gericht nadenken over wat het beste is voor ons onderwijs. De bedoeling is dat die brainstorm de basis vormt voor het komende memorandum van de Vlaamse Scholieren­koepel, een niet te onderschatten speler op het onderwijsveld. De resultaten worden nog verwerkt. Maar deze vraag dringt zich al op: wat zullen we ermee doen? ­Zullen we het kind niet opnieuw met het badwater weggooien?

Burgerschap

De publieksbevraging die Van ­LeRensbelang twee jaar geleden hield, heeft uiteindelijk immers een muis gebaard. Of eerder een onvoldragen gedrocht. Bij die bevraging kwam naar voren dat de deelnemers behalve op leer­inhouden, vooral focusten op sociale vaardigheden, burgerschap, leren samenwerken en ­samenleven, leren omgaan met diversiteit, respect en participatie en op samen school maken. Volkomen in lijn met de aanbevelingen van de Oeso en van Unesco voor modern, flexibel en inspirerend onderwijs. Maar wat blijkt twee jaar later? In alle stilte zijn de vakoverschrijdende eindtermen afgevoerd. Wat een innovatie was waarvoor Vlaanderen bij de andere landen binnen de Oeso bewondering oogstte, werd geschrapt. Wegens te veel papierwerk en omdat bepaalde netten vonden dat hun vrijheid werd ingeperkt.

Het gemeenschapsonderwijs doet nog een poging om de meubelen te redden door een vak burgerschapsvorming in te voeren. Maar hoe goedbedoeld ook, het is niet langer een bekommernis van het hele team, zoals dat met de vakoverschrijdende eindtermen wel het geval was. Het katholieke net beweert dat het die burgerschapsvorming in alle vakken nastreeft. Maar zo wordt die waardevorming volledig vrij­blijvend. Ze is niet langer maatschappelijk gefundeerd en is bovendien opnieuw confessioneel gekleurd. De vrijheid van onderwijs, nietwaar. Blijkbaar vinden we het geen probleem om de maatschappelijke en dus ook de politieke consensus over de na te streven waarden los te laten. We hebben nochtans de mond vol van inburgeringstrajecten. Maar wat burgerschap dan wel inhoudt, is in die omstandigheden bijzonder vaag.

Centrale examens

De kern van de zaak is dat bepaalde koepels de handen willen vrijhouden: door de vakoverschrijdende eindtermen bij het grof huisvuil te zetten en door zelf zwaar in de eindtermen te snoeien, tot een zestiental containers zonder overkoepelende pedagogische visie overblijven. Het zwaartepunt komt dan vanzelf weer te liggen op de 'eigen' leerplannen. Die koepels willen hun machtspositie en het concurrentiemodel tussen netten en scholen behouden. Het belang van de leerlingen en hun ouders staat daarbij niet centraal. Dat daarmee de rechtsongelijkheid tussen de leerlingen opnieuw gebetonneerd raakt, wordt onder de vlag van de vrijheid van onderwijs weggemoffeld. Ik ben benieuwd tot hoeveel juridische betwistingen dat zal leiden bij eindbeslissingen bij de Raad van State.

Op die manier zetten de netten de deur open ook voor de voorstanders van centrale examens. Als de doelen niet duidelijk zijn, zal vroeg of laat de vraag komen naar duidelijkheid via centrale examens. Is dat wat wij willen? Beseffen de netten niet dat ze met die klemtoon op de vrijheid van onderwijs de weg banen voor salafistische of andere fundamentalistische scholen? Vrijheid is een hoog goed. Maar ze gedijt alleen binnen een kader van rechtsregels die bescherming bieden tegen machtsoverschrijding. Waarom denk je dat Erdogan en Poetin zo tekeergaan tegen regels die hun speelruimte beperken?

Laten we hopen dat het nieuwe elan dat door de J1000 gestart is, bij de beleidsmakers een belletje doet rinkelen. Het is hoognodig dat ze naar de signalen van de basis luisteren. Niet in de eerste plaats omdat er verkiezingen aankomen, maar vooral in het belang van de leerlingen. Want het is niet oké dat er zoveel leerlingen het onderwijs zonder diploma verlaten.

"Ik daag jullie uit om gedurende één week de kranten en nieuwswebsites te controleren op fouten"

Radio 1 - 23 maart 2018


Noortje Damen vindt dat er in de Vlaamse media te veel taalfouten en fouten tegen de spelling opduiken. In de minuut van Hautekiet roept ze op tot actie.

Het is al meer dan 10 jaar geleden dat ik de middelbare school verliet en het is bijgevolg ook al meer dan 10 jaar geleden dat ik nog lessen Nederlands kreeg. Ik waan mezelf dan ook zeker niet perfect wat betreft mijn kennis en gebruik van de Nederlandse taal, maar wanneer ik de krant lees stel ik me toch vaak vragen. Hoe komt het dat professionals die dagelijks bezig zijn met de taal zulke fouten schrijven?

Een krantenartikel met dt-fout, een online artikel met meerdere taal- en typfouten dat door een krant klakkeloos wordt overgenomen van een andere website, het is haast ongelooflijk maar toch gebeurt het. Het lijkt alsof men steeds minder aandacht schenkt aan taal: de gewone man op de straat, maar ook de professional, die professional waarvan toch meer mag verwacht worden en wiens taalkennis ik niet in vraag wil stellen omdat ik veronderstel dat deze beter is dan de mijne. Maar laten we de proef op de som nemen! Ik daag jullie uit om gedurende één week de kranten en hun websites te controleren op fouten, want ik vind dat we weer meer aandacht moeten hebben voor spelling en correct taalgebruik. Wie weet, is dit wel een eerste stap om dat te bereiken.

Boekhandel weigert boek van Griet Op de Beeck weg te geven

'Therapeutisch relatiegezeik': het Boekenweekgeschenk is geen echt cadeau

'Gezien de feiten' van Griet Op de Beeck werd al neergesabeld door recensenten. Nu weigert de Gentse boekhandel Limerick het Boekenweekgeschenk weg te geven, omdat ze het te slecht vinden.

Cathérine De Kock, maandag 12 maart 2018 - dS Avond

Griet Op de Beeck verdeelt en heerst. Ze heerst in de boekentoptien als een van de meest gelezen fictieauteurs in Vlaanderen. En ze verdeelt, want ze mag dan gesmaakt worden bij het brede publiek, de literaire elite is kritisch over haar oeuvre. Gezien de feiten, haar novelle over een weduwe van 71 die verliefd wordt op een Afrikaanse man, krijgt recensies die gaan van  negatief tot vernietigend. De novelle is het Boekenweekgeschenk, dat in de boekhandel wordt aangeboden aan klanten die minstens een bedrag van 12,50 euro besteden. Zo'n 700.000 exemplaren worden gratis verspreid over Nederland en België.

Het is van Kader Abdolah en zijn novelle De kraai uit 2011 geleden dat er nog zoveel kritiek - het boek was niet goed genoeg - klonk op het Boekenweekgeschenk. In De Groene Amsterdammer noemde Christiaan Weijts de gelegenheidsnovelle van Op de Beeck 'een meesterproef die zij niet aan kan' en 'dodelijk overexpliciet'. 'En het publiek dat weinig boeken koopt, krijgt een teleurstellend beeld van de Nederlandse literatuur', schrijft Weijts. Trouw vond de novelle wel soepel geschreven 'maar het raakt je niet echt'.

Therapeutisch proza en relatiegezeik

In deze krant kreeg de novelle twee sterren, in NRC Handelsblad twee ballen. In De Volkskrant was Arjan Peeters zuiniger in met één ster. 'De novelle Gezien de feiten is geen propaganda voor het Nederlandse boek.'

Volgens Peeters heeft de CPNB, dat het Boekenweekgeschenk organiseert, een knieval gedaan. Hij citeert een zin uit haar novelle. '"Iets kunnen doen is zoveel beter dan niks kunnen doen." O ja? Op de Beeck had beter niks kunnen doen.'

Ook bij de Gentse boekhandel Limerick kan Op de Beeck op weinig genade rekenen. Boekhandelaar Gert Brouns liet weten dat hij in plaats van het Boekenweekgeschenk De wandeling van Robert Walser aan lezers zal weggeven. 'Een écht boek', benadrukt Brouns op Facebook. Brouns is keihard voor de novelle van Op de Beeck. 'Wil u dus eens wat anders dan therapeutisch proza, relatiegezeik of scenario's voor de zoveelste overbodige weekendfilm? Lees dan De wandeling', schrijft hij.

Opstapje naar moeilijkere boeken

Op de Beeck verdeelt ook de onafhankelijke boekhandel. Bart Van Aken van de Gentse boekhandel Paard van Troje, die vier jaar geleden nog een controversiële roman van Kristien Hemmerechts uit zijn rekken hield omdat hij het boek te slecht vond, heeft geen plannen voor een boycot tegen het Boekenweekgeschenk.

'Je boort er een nieuw publiek mee aan. Ik zie Griet Op de Beeck als één groot leesbevorderingsproject', zegt hij. 'Haar boeken zijn instapliteratuur. Geregeld krijgen we lezers van haar oeuvre over de vloer, met de vraag of we hen ook iets anders kunnen aanraden. Dan stellen we bijvoorbeeld Een klein leven van Hanya Yanagihara voor. Lezers maken via haar de opstap naar moeilijkere literatuur. Wie ben ik om mensen dat te ontzeggen?' Van Aken heeft Gezien de feiten wel nog niet gelezen. 'Maar ik volg de recensies op de voet', zegt hij.

Daniël Van Geem van de onafhankelijke boekhandel Athenaeum in Amsterdam, is dit jaar geen fan, maar blijft toch trouw het Boekenweekgeschenk weggeven. 'Gezien de feiten is niet zo best, een beetje simpeltjes', zegt hij. 'Maar Griet Op de Beeck is heel populair: er komen meer mensen naar de winkel door het Boekenweekgeschenk. Tegelijk merk ik dat klanten door de slechte recensies vaker dan de voorbije jaren zeggen dat ze het niet hoeven te hebben.'

Op zoek naar niet-lezers

De Stichting CPNB blijft intussen achter haar keuze staan. 'Vanzelfsprekend', zegt directeur Henk Pröpper. 'We zijn heel tevreden over het boek dat Griet geschreven heeft. Vanwege het gedurfde thema en ook vanwege haar grote stilistische vermogen en literaire kracht.' Hebben ze dan geen knieval voor de commercie gedaan? 'Nee, helemaal niet. Wel is het zo dat Griet een jonger publiek en mensen die niet veel lezen, aanspreekt. Veellezers en geoefende lezers worden al genoeg bediend door de boekhandel. Het probleem zit hem bij mensen die niet of amper lezen. En die bereiken we met deze novelle. Ze is een fantastische ambassadrice voor het boek.'

Griet Op de Beek was niet bereikbaar voor commentaar. Intussen lopen er gesprekken voor een verfilming van Gezien de feiten.

Enerzijds is het Fries een officiële rijkstaal die in Friesland op gelijke voet met het Nederlands staat. Anderzijds wordt de taal klaarblijkelijk nog steeds niet als volwaardig genoeg beschouwd om bijvoorbeeld een eed van trouw aan de koning af te kunnen leggen. Nog ingewikkelder wordt dit verhaal als je bedenkt dat er in Nederland nog veel meer talen worden gesproken. (...) Deze talen hebben echter niet allemaal dezelfde status in Nederland. Zo is het Limburgs een officieel erkende streektaal, terwijl het Fries dus een rijkstaal is. Maar waarom hebben het Limburgs en het Fries niet dezelfde status? In dit artikel (zie link) zal hier antwoord op worden gegeven.

Wat ik doe als leerkracht Nederlands om mijn leerlingen te doen lezen

13-12-17, 06.00u - Laura Buelinckx

Laura Buelinckx (30) is leerkracht Nederlands in Vilvoorde en tussendoor minister van agitatie, opwinding en opperste ontroering op haar blog ministerievanhysterie.be.

Als leerkracht Nederlands is het moeilijk me niet te mengen in het debat naar aanleiding van de bedroevende resultaten van de internationale PIRLS-studie. Om eerlijk te zijn, het gebakkelei over ons falend onderwijs komt me de laatste weken danig de strot uit. Goed, de lees- en schrijfkwaliteit van mijn leerlingen is niet om over naar huis, euhm ja, te schrijven. Velen missen een grondige basiskennis van het Nederlands, nochtans zitten zij in een vijfde middelbaar. Een tekst afgeven die werd nagelezen en bijgeschaafd is nauwelijks nog van deze tijd. Ik word er uiteraard regelmatig hysterisch van. Leesplezier, voor het gros van de 16-jarigen een contradictio in terminis, is bij de meesten onbestaand. Het is natuurlijk niet enkel kommer en kwel, de vlotte pennen en lustige lezers vormen misschien een minderheid, maar ik koester hen. De anderen geef ik al jaar en dag extra duwtjes in de rug, ik koester hen uiteraard ook.

Een tekst afgeven die werd nagelezen en bijgeschaafd is nauwelijks nog van deze tijd

Wat ik zoal doe als leerkracht Nederlands om mijn leerlingen te stimuleren om te lezen?

In de klas ontpop ik mij tot een radicale leesprediker, met de wereldbibliotheek als mijn heilige schrift. Dat ik door enkele wrede pubers als seut word uitgejouwd neem ik er graag bij. Ik maak mezelf graag wijs dat dat een geuzennaam is in tijden van ontlezing. Ik breng artikels mee uit de krant, waar we soms een lesuur lang op zwoegen. Volgens mijn pubers zijn mijn teksten te "chaud" (te moeilijk in Vilvoordse jongerentaal), maar ik daag hen graag uit als het nog even mag. Velen vrezen mijn toetsen begrijpend lezen, want ze weten dat ze er moeite voor moeten doen. We lezen columns van Fikry El Azzouzi, Sammy Mahdi, Griet Op De Beeck of de onnavolgbare Bernard Dewulf - waar sommige leerlingen zichtbaar ontroerd door geraken en ik bijgevolg ook. Hoe meer en beter ze lezen, hoe beter ze schrijven.

Met wat ik in de krant lees, weet ik niet of een leeslijst nu nog oké is of niet

Er hangt een gezellige overvolle boekenplank in mijn lokaal. Daarnaast mijn lievelingsgedicht, dat door een creatieve leerling in een mooie poster werd gegoten en verderop staan de knutselwerkjes van leerlingen over hun favoriete leesplek, zoals een wc-rol met een foto van de betreffende leerling op de pot. Heerlijk. Ik organiseer af en toe een leesuur in plaats van een lesuur en als ik een twintigtal stilzwijgende kinderen in mijn lokaal heb zitten die zich verdiepen in een roman ben ik voor even dolgelukkig. Voor bepaalde opdrachten lezen ze per twee en maken ze een blog in plaats van een ouderwets leesverslag. Vorig jaar nog maakte ik mijn studenten warm voor Lezen For Life en zamelden die lieverds maar liefst 780 euro in door leesflashmobs te houden. De stoere zesdejaars die me komt vertellen dat hij voor het eerst een dik boek heeft uitgelezen, en dan nog graag, doet me haast huilen van geluk. (Ik blijf een emojuf. En ik probeer echt keihard.)

Met wat ik in de krant lees, weet ik niet of een leeslijst nu nog oké is of niet. De mijne bevat een mix van klassiekers en modernen, van Nederlandstalige en vertaalde literatuur, en de leerlingen mogen aanvullen naar wens. Met uitzondering van jeugdboeken, flauwe chicklit of huisvrouwenporno, en zelfs dan nog. Slechts één literatuuropdracht verplicht hen tot het lezen van een Nederlandstalige klassieker, omdat dat verdomme óók nog mag. Ik zeg dus resoluut neen tegen de verkleutering van ons onderwijs, maar ook tegen een al te elitaire visie. Kan het niet gewoon een beetje allebei?

Lezen is leren is leven. Ik denk dat ik zonet een nieuwe Bond Zonder Naam-spreuk verzon. In januari hang ik ze alvast op in mijn lokaal. Daarna laat ik mijn leerlingen de artikels lezen over deze materie en peil ik in een klasgesprek naar hun eigen ervaringen. Daar zullen ongetwijfeld boeiende conversaties uit ontstaan waar wij als volwassenen zeker iets van kunnen leren. Ze mogen meteen ook een leesautobiografie schrijven tegen de volgende les. Ja, ik ben me ervan bewust dat ik me daar opnieuw niet populair mee maak bij die bengels, maar ik heb een reputatie hoog te houden.

In tussentijd hoop ik maar dat mijn inspanningen, en alle andere efforts van mijn collega's in heel Vlaanderen, hun effect zullen hebben. Het onderwijs draagt een verpletterende verantwoordelijkheid, maar heus niet voor alles (wat misloopt). Een heropwaardering van ons beroep en meer geld, tijd en middelen zouden al wonderen kunnen doen. En de jeugd? Die komt wel op haar pootjes terecht. Net zoals de mensen die haar dagelijks onderwijzen, stimuleren, uitdagen, evalueren, zien evolueren en entertainen.

Om te beginnen diepgemeende excuses aan Gilles De Coster. Het staat verschrikkelijk betweterig iemand in volle discussie aan te spreken op een taalfout. En je doet dat zeker niet in een tv-gesprek, en helemaal niet met iemand die het Nederlands met zoveel stijl en allure hanteert als Gilles. Excuses dus.

De enige verklaring is dat in De Afspraak van maandagavond een foutje, dat de spreker zelf overigens snel rechtzette, de spreekwoordelijke druppel was die een emmer van ergernis over taalverloedering deed overlopen. Voortaan zal ik in zo'n geval hard op mijn tong bijten. Of misschien kan ik nog beter een tijdje nalaten de kwaliteitspers en -media te volgen, kwestie van eerst mijn ergernispeil weer naar nul te laten zakken.

Die ergernis slaat op veel, om te beginnen op het wegdeemsteren van elementair inzicht in zinsstructuur. Zo lees ik een klacht dat alleenreizende vrouwen in vliegtuigen zo vaak een zitje tussen twee andere personen worden aangeboden. Niets fouts? Nou, de vrouwen worden niet aangeboden, het zitje wordt aangesmeerd aan vrouwen die alleen reizen. Het werkwoord (of persoonsvorm zoals dat nu heet) hoort dus in het enkelvoud te staan. Elementaire kennis van zinsontleding, die de onderwijsbonzen in hun superieure wijsheid bijkomstig achten, zou dat soort fouten voorkomen. Net zoals je dan ook niet zo vaak gruwels zou horen als 'wij treffen geen schuld' in de plaats van het correcte 'ons treft geen schuld'.

Wie luistert en leest vindt talloze aanwijzingen dat de neerwaartse nivellering van het taalonderwijs bepaald niet tot een verbeterde taalbeheersing heeft geleid. Hoe vaak hoor je nu geen zaken als hij is 'groter als mij' - twee fouten op drie woorden. Of kijk naar het gerotzooi met het betrekkelijk voornaamwoord (met excuses voor die zeer elitaire term): 'Het kind die ...', 'een vrouw dat ...', 'een programma die ...' Het doet pijn aan de oren.

De teloorgang van spraakkundige kennis stopt niet bij de zinsbouw. Dat iemand 'sloeg' in zijn opzet, dat binnen een partij de messen 'geweten' werden, dat er ergens opruiende slogans uit een raam 'hangden' ... De vervoeging van werkwoorden ligt blijkbaar ook al op de rommelhoop.

Allemaal geen belang, als 'de boodschap maar overkomt'? Wel, je kunt niet denken zonder woorden, dus onzindelijk spreken betekent onzindelijk denken. Juist nu iedereen weeklaagt over post truth en fake news hebben boodschappen meer dan ooit nood aan een precieze, heldere formulering.

Met het aanvoelen van de betekenis van woorden gaat het ook al niet vooruit. Je gelooft je ogen niet als een succes 'te wijten' is aan de inzet van het personeel, en een auto-ongeluk 'te danken' aan een glad wegdek. En wat als ooit gezegd wordt dat de bevolkingsaangroei te 'wijten' is aan het 'geboortencijfer bij immigranten'?

De nuances tussen 'merkwaardig', 'opvallend' en 'opmerkelijk' zijn ook al weggeveegd. Maar ik huiver toch nog altijd als ik een aantal slachtoffers 'opmerkelijk' hoor noemen.

Dat slaafse nalopen van het Engels helpt niet. Over Frankrijk - en andere landen - hoor je nu spreken als 'zij' en over 'haar' beleid. Dat is een kopie van het Engels waar Britain, France en ander landen als 'she' bestempeld worden. Maar in het Nederlands spreekt men van 'het Frankrijk van de Revolutie' en dus van 'zijn republiek', spreekt met van 'het Europa van 2017' en 'zijn beleid'. De invloed van het Engels past in een verregaande 'verharing' van het Nederlands waarin fouten als 'het Vlaams Belang en haar programma' schering en inslag zijn.

Het is waarschijnlijk een verloren strijd, maar ik zal hem tot mijn laatste snik voeren, uit loyauteit jegens de generaties die de strijd voor de vernederlandsing van Vlaanderen gevoerd hebben, en die meer verdienen dan de huidige achteloosheid voor wat officieel de taal van Vlaanderen is: het Nederlands.

Het schepencollege van de Stad Brussel wil komaf maken met de fouten tegen het Nederlands die met de regelmaat van de klok opduiken in haar communicatie. Daarvoor schakelt het stadsbestuur een taaladviseur in die alle Nederlandstalige communicatie moet nalezen en start het ook met taaltips voor haar personeel.

Ze krijgt de ene brief na de andere van lezers die haar wijzen op dt-fouten in haar nieuwe roman, maar Griet Op de Beeck houdt vol: 'Er staan géén dt-fouten in. Beetje jammer dat mensen het niet even opzoeken.'

Op de Beeck schrijft in haar roman 'Het Beste Wat We Hebben' in de gij-vorm. Maar blijkbaar brengt dat lezers danig in de war: die sturen 'in variabele gradaties van vriendelijkheid en onvrien-delijkheid' voortdurend klachten naar de schrijfster over ver-meende dt-fouten.

Griet Op de Beeck verdedigt zich nu op Facebook: 'De vervoeging van een werkwoord gecombineerd met gij - een vorm die ik in mijn dialogen gebruik - in de verleden tijd vraagt wel degelijk om die extra 't' volgens de regels der Nederlandse grammatica, ook al ziet 'gij hadt', 'gij vondt' er misschien vreemd uit. Er zouden natuurlijk nooit zulke consequente fouten in een tekst sluipen die door een hele bende professionals wordt nagelezen. Beetje jammer dat mensen het niet even opzoeken als ze zich er vragen bij stellen, toch?'

Taaladviseur van de VRT Ruud Hendrickx geeft Op de Beeck gelijk in een reactie aan VRT NWS: 'Zo zit de Nederlandse taal nu eenmaal ineen. Denk aan de zinsnede 'gij waart'. Ook daar komt een extra 't' bij kijken.'

Op 4 oktober won auteur Kazuo Ishiguro (Nagasaki, °1954), die eerde al de Booker Prize op zijn naam mocht schrijven, de Nobelprijs voor Literatuur 2017. Tot zijn bekendste werken behoren o.a The Remains of the Day (1989), When We Were Orphans (2000) en The Buried Giant (2015). Via de link (onder) een interessant artikel uit De Tijd.

Boven: Zazagravure (4 oktober 2017), Knack nr. 40, p.119