Bert Leysen

Eerder was ik leraar Plastische opvoeding en Geschiedenis, maar sinds kort ook leerkracht Nederlands. Sinds september 2018 geef ik les aan middenschool Anton Bergmann van het GO! te Lier.

Buiten de schooluren houd ik mij bezig met tekenen en schilderen (olieverf), muziek maken, ook lezen uiteraard en nog tal van andere zaken. Zowel op YouTube als Facebook kan je liedjes van Kinky Bing terugvinden, mijn muziekproject. Ook leg ik de laatste hand aan een historische roman die de titel Een maand, elf dagen zal dragen.

Men kan mij altijd contacteren via bertleysen@hotmail.com of, indien zeer dringend, via het nummer 0494 604443.


Mijn leesautobiografie


De jaren 70


Ik groeide op in een bescheiden dorpje in de Kempen, in een tijd waarin een gewoon televisietoestel binnen Vlaamse woonkamers nog als een speciaal meubel werd aanzien. Op het toestel van mijn grootouders keek ik, toen nog in zwart-wit, naar Beertje Colargol (link 1), Bolke de Beer of De Berenboot. De meeste van deze series waren poppenkastverhaaltjes met veel gepraat en weinig actie, maar de gezelligheid die mij bekroop tijdens het bekijken ervan was overdonderend. Heerlijk nostalgisch word ik daar vandaag nog steeds van.

Wanneer er op tv niets te beleven viel, las ik graag stripverhalen. In een van mijn vroegste herinneringen zie ik mezelf weer terug op de speelplaats van het kleuterschooltje, zittend in een deuropening, bladerend door een stripverhaal van Langteen en Schommelbuik, Met Hannes op stap of Weg met Haakneus!

Thuis las niemand mij voor, maar mijn ouders zorgden steevast voor een flinke voorraad nieuwe strips. In een kast in de kelder bewaarde mijn vader bovendien ook alle stripverhaaltjes die hij tijdens zijn eigen jonge jaren uit de krant had geknipt. Die had hij destijds tot boekjes gebundeld, met een schutblad van gekleurd papier waarop hij de titel had genoteerd. Zo kwam ik in contact met voorlopers van strips zoals ik die kende: krantenstroken getekend door Gommaar Timmermans (Fideel de fluwelen ridder) of Raymond Macherot (Chlorophyl). Hier kon ik jaren mee aan de slag!

Na een tijdje mocht het allemaal wat meer zijn. Op tv keek ik, net als al mijn klasgenoten, naar herhalingen van stokoude Vlaamse series zoals Kapitein Zeppos of Axel Nort, of naar meer moderne series (in kleur!) als De Kat, Het Veenmysterie of Merlina (link 2), waarin helden duidelijk te onderscheiden vielen van 'slechteriken', het behoud van de natuur een streefdoel was en samenwerking met anderen onontbeerlijk. Uiteraard, 's anderendaags op de speelplaats werden deze verhaaltjes gretig nagespeeld.


Apetrots was ik, toen ik in het vijfde leerjaar een prijs won met een zelfgeschreven opstel. Van de meester mocht ik uit diens stapel een boek kiezen om tijdens de zomermaanden thuis te lezen. Tot mijn verbazing behoorde ook Axel Nort overwint tot de mogelijkheden, dus aarzelde ik geen seconde. Het eerste Axel Nort-verhaal, een boek dat ooit aan mijn moeder had toebehoord, had ik keer op keer herlezen, telkens wanneer ik bij mijn grootouders logeerde. Via dit vervolg kwam ik eindelijk te weten hoe dit tweedelige avontuur eindigde. Ik gaf het boek nooit terug aan de meester, want tjonge, wat een prijs!  


Vrolijke vrienden en Vlaamse missionarissen:

de jaren 80


Overigens lagen op datzelfde nachtkastje bij mijn grootouders, naast het bed uit mijn moeders jeugd, nog een heleboel andere boeken, zoals Het eerste boek van Nonkel Bob, met daarin mooie illustraties, een beetje uitleg over gitaarakkoorden en ideeën voor knutselwerkjes. Er zaten ook stichtelijke boeken tussen, over verschijningen van Moeder Maria aan eenvoudige boerendochters of het godvruchtige werk van Vlaamse missionarissen in het verre Afrika. Het boekje Goudkorrels uit Transvaal (uit 1930) was een van m'n favorieten voor het slapengaan. Het stond immers vol fascinerende foto's van melaatsen die vingers of tenen misten, een hele ontdekking voor een tienjarige, nieuwsgierige jongen.

'Kleinen en grooten zijn verlekkerd op verhalen en geschiedenissen, vooral wanneer ze uit vreemde en onbekende landen komen en typisch en pittig zijn voorgesteld. (...) De verhalen van den goeden Pater zijn voorafgegaan door een hoofdstuk dat spreekt over 't land en 't volk van Transvaal, opdat de lezers 'n klaren en duidelijken kijk zouden hebben op dit missiegebied, waar de Paters Oblaten van Maria sinds tachtig jaar hun beste krachten hebben gewijd. Moge dit boekje in alle middens welkom zijn en 'n weinig bijdragen om den missiegeest onder het Vlaemsche volk, vooral onder de jeugd, te doen aangroeien.'

Na de dood van mijn grootmoeder en de verhuis van mijn grootvader naar het rusthuis, vonden deze boeken hun weg naar mijn kelder (zie ook: Hoogbejaarde boeken). Ze ruiken nog steeds heerlijk muf, naar de slaapkamer waar ze decennialang hebben gelegen. Ik heb mezelf voorgenomen om ze weer eens de nodige aandacht te geven.

Kleine jongens in grote avonturen


Vanaf het eerste middelbaar kon het echte leeswerk pas echt beginnen. In mijn jaren aan het Sint-Jozefscollege te Herentals (1984-'87) las ik enorm veel boeken van bekende jeugdauteurs uit die tijd, zoals Karel Verleyen, René Swartenbroeckx en Peter de Rooy. Van deze laatste herinner ik mij vooral De duvelstoejager van het Wapen van Hoorn (1981). Dit boek, over een weesjongen aan boord van een schip van de Oost-Indische Compagnie, sprak mij enorm aan. Zulke jongens beleefden namelijk alle avonturen waar wij zelf enkel van konden dromen. Overigens liep het ook altijd goed af met deze arme stakkers. In dit geval werd de jongen in kwestie, na zijn ontdekking, ingezet als een soort manusje-van-alles op een groot schip, om aan het einde weer voet aan land te zetten als volwaardig lid van de bemanning.

Meneer Ooms, onze klastitularis en leraar Nederlands, las ons wekelijks een lesuurtje voor uit een boek. Mogelijk was dat Pjotr van Jan Terlouw, over een jongen die naar Siberië reist op zoek naar zijn verbannen vader, maar het kan ook Oorlogswinter geweest zijn, over een Nederlandse jongen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Of misschien las hij ons voor uit Boris van Jaap Ter Haar, nog zo'n verhaal dat me nog scherp voor de geest staat, over een arme, Russische jongen die midden in de oorlog op zoek moet naar iets te eten. Jongens en oorlogen vormden destijds blijkbaar een ideale combinatie voor jeugdauteurs, terwijl mijn zussen toch maar gewoon boeken bleken te lezen over pony's en ballerina's.
Schrijfster Gerda Van Cleemput was redacteur van een wekelijkse jongerenbijlage bij de krant. Zij stuurde een vragenlijst toe, die ik haar ingevuld mocht terugbezorgen. In het korte artikel dat enkele dagen later in de krant verscheen, lees ik:

De boeken van Karel Verleyen zijn prima. 'Wat doen we met die muur' bijvoorbeeld. En de stripverhalen van de Rode Ridder zijn ook tof.'

Mijn lievelingsmuziek bleek toen nog 'orgelmuziek' te zijn. Dat komt omdat ik op muzikaal gebied niets anders kende. Terwijl mijn klasgenoten in T-shirts van AC/DC en Iron Maiden rondliepen, moest ik van mijn vader orgellessen volgen. We waren thuis al blij wanneer er ook eens een vinylplaat van Louis Neefs of Will Tura werd opgelegd.


It took me years to write, will you take a look



Op een dag zat ik met open mond te luisteren naar een klasgenoot die een spreekbeurt gaf over The Beatles (link 3). Sinds die dag konden alle kerkorgels ter wereld de boom in. Ik saboteerde mijn orgellessen zo grondig dat mijn vader de leraar niet meer onder ogen durfde te komen, trok naar de bibliotheek en harkte alles bij elkaar wat ik over de Beatles kon vinden, boeken en vinylplaten. Mijn favoriete lectuur bestond voortaan uitsluitend uit boeken, geschreven door mensen die met de band hadden samengewerkt: Yesterday - The Beatles Remembered, door Alistair Taylor & Martin Roberts (Sidgwick & Jackson Ltd - 1988) of The Love You Make: An Insider's Story Of The Beatles, door Peter Brown & Steven Gaines (Mcgraw-Hill - 1983) zijn daar goede voorbeelden van. Het waren meteen ook de eerste boeken die ik voor mezelf kocht. Het was nog een kwestie van tijd voor ik mijn eerste gitaar kocht en zelf liedjes ging schrijven. Uit vrij technische boeken van o.a. Mark Lewisohn (The complete Beatles Recording Sessions) en studiotechnicus Geoff Emerick (Here, There and Everywhere - My life recording the music of The Beatles) haalde ik de nodige kennis om mezelf uit te drukken in een opnamestudio. Hierbij moet ik helaas toegeven dat mijn interesse in andere lectuur op dat moment erg beperkt was.

Cujo, de Nederlandse versie uit 1982, was het eerste boek van Stephen King dat ik las. Het was van mijn vader en slingerde rond in de woonkamer, dus hoefde ik 't maar op te pikken. Gedurende een korte periode moet dit genre mij wel gelegen hebben, want nadien las ik nog een tiental andere boeken van deze schrijver, zoals Carrie en Christine en vrijwel alle andere werken van Stephen King die in de bib beschikbaar waren.

Tegelijk ging mijn gebrek aan interesse in andere boeken echter zo ver dat ik in diezelfde periode een volledige boekbespreking verzon op basis van een korte inhoud uit een tv-blaadje, een film over racewagens met in de hoofdrol Paul Newman. De verhaallijn dikte ik aan met wat fictieve elementen en verzonnen personages. Mijn leerkracht Nederlands tuinde er destijds makkelijk in, want tot mijn verbazing kreeg ik een 7 op 10. Tegenwoordig kan alles worden gecheckt via internet, maar dat was destijds nog toekomstmuziek.

De jaren 90: de verdoemenis in


In de bibliotheek vond ik, naast boeken van Stephen King, nu ook steeds meer vinylplaten van bands die ik niet kende. Ik pikte er telkens op goed geluk iets uit. Via David Bowie (Diamond Dogs), Pink Floyd (Atom Heart Mother) en Yes (Close to the Edge) ging een heel nieuwe wereld voor me open, al was het dan een vrij sombere.

Ik nam nu dagelijks de bus naar de hogeschool in Borgerhout, waar ik Grafische Kunsten studeerde. Mijn leraar Literatuurgeschiedenis blies er mijn interesse in literatuur nieuw leven in. Dit kwam erg gelegen, gezien de lange busritten. Zo worstelde ik mij een weg doorheen boeken van Herman Hesse die eigenlijk mijn petje te boven gingen: Siddharta, Narziss en Goldmund, De Steppewolf. Allicht las ik ze niet allemaal uit, want ik kan mij amper herinneren waarover deze boeken precies gingen, maar twee boeken die mij tijdens deze lange busritten wél raakten, waren Brave New World van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell. Vooral dat laatste boek gooide mijn wereld overhoop. Voor het eerst sinds lange tijd had ik het gevoel dat lezen de moeite waard kon zijn. Na alle mysterieuze flauwekul van King, vertelde 1984 mij weer eens iets dat belangrijk leek. Maar al deze zaken bij elkaar opgeteld, Diamond Dogs en 1984, Pink Floyds The Wall gecombineerd met een grijze, miezerige Turnhoutsebaan om 7 uur 's ochtends, leidde ertoe dat ik mezelf niet erg lekker in m'n vel voelde. Ik kreeg de indruk dat de hele wereld vrij snel de verdoemenis zou ingaan. Mijn schoolwerk leidde tot vrijwel niets. Mijn grafische werk was somber, maar te weinig artistiek.

Ik wist er mijn ouders van te overtuigen dat alles beter zou gaan indien ik een studentenkot zou mogen huren. Een tijdlang was dat ook zo, maar de buurt, vlakbij het Stuivenbergziekenhuis, was somber en uiteindelijk bleek dit opnieuw nefast voor mijn studies. Gaandeweg gaf ik er de voorkeur aan om met mijn gitaar richting Meir te trekken en wat bij te verdienen. 's Avonds zocht ik in een podiumcafé het gezelschap op van andere straatmuzikanten of las ik boeken van Roald Dahl. Niet diens kinderboeken, maar romans als Oom Oswald, een heerlijk smerig boek, of Solo, over Dahls ervaringen als oorlogspiloot. Ook de gebundelde kortverhalen van Dahl deden mij plezier. Ik was dol op het lichtjes absurde karakter hiervan. Helaas, zo'n tiental boeken later had ik alles wat van deze auteur in de bibliotheek beschikbaar was, uitgelezen.

Ik verhuisde naar een piepklein appartementje in de Lange Nieuwstraat, vlakbij de toenmalige bibliotheek van Antwerpen en niet zo ver van boekhandel De Sleghte. Mijn tijd als student zat er op. Ik kon het niet meer opbrengen om nog terug te keren naar de hogeschool en was vooral bezig een manier te zoeken om de stad te overleven. In die periode, ergens tussen 1997 en 2000, deden zowel gsm's als internet hun intrede. Met mijn lenerskaart kon ik in de bib één uur per dag op internet, wat ik dan ook deed. Alleen wist ik niet waarnaar ik op zoek was.
Qua lectuur beperkte ik mij tot biografieën van kunstenaars en muzikanten, zoals Edvard Munch en Claude Monet. Ook de Beatles brachten op dat moment hun autobiografische Anthology-boek uit. Eind 1999, begin 2000 werkte ik als dj in een skigebied in de Franse Alpen. Ik herinner mij dat ik daar drie boeken las, mij toegestuurd door vrienden die mijn voorkeuren kenden: een biografie over Nick Drake, een andere over The Band en een autobiografie van songschrijver Joe Jackson, A Cure for Gravity (1999).

Terug naar school


In 2003, na een langer periode van wat men zou kunnen noemen 'twaalf stielen en dertien ongelukken', begreep ik eindelijk dat ik een diploma nodig had. Ik herinnerde mij hoe ik mijn voormalige kotgenoten meer dan een aardig handje had geholpen met het tekenwerk voor hun lerarenopleiding. Dat zij inmiddels allemaal aan de slag waren als leraar, terwijl ik voor de kost een koffiebar-op-wieltjes doorheen de trein naar Oostende duwde, besefte ik dat ik al dit tekenwerk destijds beter voor eigen rekening had kunnen doen. Ik besloot alsnog mijn kans te wagen. Naast Plastische Opvoeding, een evidente keuze, koos ik als tweede vak voor Geschiedenis. In functie daarvan begon ik opnieuw romans te lezen; historische romans zoals Pompeii of de schitterende Cicero-trilogie (Imperium, Lustrum en Dictator) van Robert Harris. Maar ook fictie met een geschiedkundige insteek kon mij bekoren. In de nasleep van De Da Vinci-code (Dan Brown, 2003) werden enorm veel boeken uitgebracht van auteurs die min of meer in hetzelfde vijvertje visten. Ik kon mijn geluk niet op. Ik verslond boeken zoals Het Sixtijnse geheim, Het graf van Campo Santo en De Achtste Zonde (Philipp Vandenberg), De koepel van Brunelleschi, Leonardo en het Laatste Avondmaal (Ross King), Het Messias-mysterie (Andreas Eschbach) en nog ontelbaar vele andere boeken binnen dit genre.

Opnieuw herontdekte ik hoe aangenaam lezen kon zijn. Jarenlang had ik elke vorm van fictie gemeden, maar nu werd ik er volop weer ingekatapulteerd. Ik identificeerde mezelf uiteraard al lang niet meer met uitgehongerde oorlogskinderen of verstekelingen op een schip, maar het avontuur dat de jongens uit mijn favoriete jeugdboeken van weleer beleefden, bleek ook terug te vinden in dit soort mysterieus-historische romans. Altijd al liep ik graag rond in leegstaande gebouwen, aanvankelijk als spelende knaap, maar later ook als fotograaf. Steevast hoopte ik daarbij stiekem dat er iets geheimzinnigs de kop zou opsteken: een verborgen deur, verstopt achter enkele struiken, een mysterieuze krabbel op een oude keldermuur... Dat geheimzinnige aspect probeerde ik in mijn fotoreportages te vatten. Helaas, in leegstaande Vlaamse huizen vallen weinig aanwijzingen terug te vinden die de loop van de geschiedenis zouden kunnen veranderen.

Sinds ik in 2006 afstudeerde als leerkracht ben ik erg intensief blijven lezen. Ik ben steeds minder kieskeurig geworden in mijn voorkeuren. Elk boek dat in de bibliotheek mijn aandacht weet te trekken, is een potentiële kanshebber. Een van de  beste romans die ik nog las voor ik deze blog begon, was Madonna met bontjas van de Turkse schrijver Ali Sabahattin (eerste uitgave in 1943, recent heruitgegeven door Van Gennep bv). Blijkbaar zijn uitgevers ijverig op zoek naar boeken van lang vergeten auteurs die tijdens hun leven ondergewaardeerd werden. Net zoals John Williams' prachtige Stoner, maar ook Butcher's Crossing of Augustus, blijkt ook Madonna met bontjas een vergeten pareltje van een auteur die tijdens zijn leven slechts een handvol boeken bij elkaar schreef.

Over schrijven


Sinds enige tijd schrijf ik zelf ook. Dat was geen weloverwogen keuze. Het gebeurde gewoon, bijna per ongeluk. Mijn grootvader verzocht mij om wat opzoekwerk te verrichten naar een onbekende nonkel van hem; een jongen die om het leven kwam in de Eerste Wereldoorlog, waarvan mijn grootvader nog een portretfoto bezat. In allerlei archieven, in Gent, Beveren en Brussel, kwam ik vervolgens een aantal fascinerende zaken op het spoor waarvan niemand binnen de familie nog iets afwist. Ik besloot al deze bevindingen nauwgezet te noteren, zodat mijn grootvader in het rusthuis alle gevonden informatie rustig kon nalezen. Op die manier schreef mijn boek zowat zichzelf.

Het eigenlijke proces van het schrijven dwong mij er gaandeweg echter toe om enkele technische aspecten te onderzoeken; een opfrissing van de nodige spellingregels, maar ook wat betreft verhaalopbouw. Regelmatig zag ik mij genoodzaakt na te gaan hoe 'echte' auteurs de zaken hadden aangepakt. Vandaag is mijn boek klaar, maar nog niet helemaal 'af'. Telkens weer ontdek ik nog tal van zaken die beter kunnen: de juiste woordkeuze hier, een betere zinsconstructie daar, de opbouw van een zekere spanningsboog. Maar op een dag...


Tijdens het academiejaar 2017-'18 volgde ik aan de KdG- hogeschool een extra bacheloropleiding Nederlands. Van nagenoeg alle boeken die ik sinds de start van deze opleiding heb gelezen, sinds september 2017 dus, kan men op deze blog een recensie terugvinden.